Ga direct naar de hoofdnavigatie Ga direct naar de content
Kijk hier voor de laatste informatie over het coronavirus.

Altijd met één been in Indonesië

Willy Glorius zit in de cliëntenraad van verpleeghuis Het Schouw
Willy Glorius (89) groeide op in Batavia. De Japanse invasie maakte in 1942 een einde aan haar zorgeloze kindertijd. Drie jaar zat ze met haar moeder in een interneringskamp. Ze huivert nog als ze eraan denkt.

Mevrouw Glorius is altijd strijdbaar gebleven. Maar ook opgewekt en onwaarschijnlijk scherp. In bijna 90 jaar herinnering vindt ze haarfijn het spoor terug. Batavia (het tegenwoordige Jakarta), de paviljoentjes met hun veranda’s rond de binnenplaats. ‘Op de hoek woonde een oude, Franse dame. Van haar heb ik geleerd om brood in de koffie te soppen, een Franse gewoonte. Dit heb ik lang gedaan.’

De kalmte van het leven

‘Als ik denk aan die tijd bekruipt de weemoed me meteen,’ zegt mevrouw Glorius. ‘Dat hebben wij Indische mensen allemaal. Je staat met één been hier en met het andere daar. Wat het is? De warmte, de geuren en geluiden, de kalmte van het leven. Ook mijn moeder viel daarvoor, toen ze eind jaren ’20 als kraamverpleegkundige uit Arnhem kwam. Ze trad in de voetsporen van haar broer, die als militair vocht en omkwam op Sumatra. Daar heeft ze mijn vader leren kennen.’

Hout slopen

De Hollanders hadden het 350 jaar voor het zeggen gehad op de archipel. Met de Japanse bezetting in 1942 kwam daar een einde aan. Veel mannen waren al ingelijfd in het Nederlands-Indische leger (KNIL), dat tegen de Japanners vocht. Ook de vader van Willy Glorius. ‘Ik heb hem 3 jaar niet gezien. Nederlandse moeders moesten met hun kinderen het Jappenkamp in. Een woonwijk die met prikkeldraad en gevlochten matten van de buitenwereld gescheiden was. De vrouwen kookten eerst zelf hun potje op houtvuur. Deuren kozijnen, tafels, stoelen, alles werd gesloopt voor het vuur. Pas toen er geen hout meer was, werd een gaarkeuken ingericht.’

‘Ik denk er niet elke dag meer aan,’ zegt mevrouw Glorius, ‘maar het blijft je altijd bij. Zelfs de kinderen moesten werken. De kleinsten stonden vliegen te vangen bij een grote rioolput om ziektes te voorkomen. Je snapt wel wat ik denk als ik jongeren nu hoor klagen.’

Tempo doeloe

Eind 1945 kwam de Bersiap, de onafhankelijkheidsstrijd. ‘Nationalisten verdreven iedereen met Nederlands bloed of pro-Nederlandse ideeën. Zelfs vanuit de bomen jaagden ze op ons. Een vreselijke tijd. Met duizenden tegelijk zijn we toen op een vrachtboot naar Nederland gekomen. Ondanks alle ellende hield ons de vraag nog bezig of de vrouwen daar kousen zouden dragen. Het was mei en gelukkig erg zomers. Dat is alvast één zorg minder, dachten we toen we de blote benen zagen op de kade van Rotterdam.’ 

Het is lang, lang geleden. Willy Glorius werd een van de pioniers in het schoolverpleegkundig werk van de GGD en zet zich sinds 2006 in voor de cliëntenraad van Het Schouw. Op een dag ontmoette ze daar een Indische dame, die in tranen was omdat ze zo’n heimwee had naar haar moederland. ‘Dat was reden voor mij om Tempo doeloe op te richten in Het Schouw, een club voor Indische senioren. Want ja, de tijd van toen komt nooit terug. Maar als we erover praten, voelen we ons toch weer meer senang.

Vorig jaar kreeg Willy Glorius een lintje voor al haar werk.