Wij gebruiken cookies en scripts om onze website te verbeteren. Meer informatie over het privacy- & cookiebeleid van Amstelring

Print deze pagina

Mensen van Amstelring

Wie zijn de mensen waar wij voor zorgen? Achter elk gezicht schuilt een leven, achter elke rimpel een verhaal. Deze keer het verhaal van: Jo (89), woonachtig in Groenelaan.

Zo'n groot gezin, wat een feest

Een mooie herinnering die ik aan mijn moeder heb, is dat ze voorlas uit Merijntje Gijzen. We hadden maar één lampje, het olielampje, dat zette ze dan op tafel. Als iemand naar de wc moest, zaten de anderen in het donker. Nou ja, anderen. Ik was enig kind, tot ieders verdriet. Elk jaar zette ik op mijn verlanglijstje: ‘een broertje, een zusje, en anders een hond’. Mijn moeder leek mij haar lot kwalijk te nemen. Soms stond ze me op te wachten met een mattenklopper. Altijd boos. Toen ik getrouwd was, heeft ze zich vijftien jaar niet vertoond. Het ergste was, dat mijn vader is overleden zonder dat ik afscheid heb kunnen nemen. Verschrikkelijk. Toch kon ik mijn moeder niet laten zitten. Dat doe je niet, dacht ik. Ze is 98 geworden en ik heb haar bijna tot het einde verzorgd, al sloeg ze het eten soms uit mijn handen. Boos ben ik niet, ik weet niet waarom. Alleen verdrietig, omdat ze haar leven heeft laten vergallen en mij zoveel pijn heeft gedaan.

De dag dat ik Max leerde kennen, moet haast wel de belangrijkste van mijn leven zijn. Max, de jongen van een bekende familie van groentetelers in Leiderdorp, waar we toen woonden. Het was in de tweede Oorlogswinter, op het ijs. Ik zat aan de kant te prutsen met de bandjes van mijn schaatsen. ‘Kan ik je helpen?’ vroeg hij. Mijn vriendin zat me maar aan te stoten. ‘Die jongen van de groente!’ Ik zei: ‘Nou en?’ maar vergat toch de tijd met hem. Ineens zag ik dat het half zes was. Ik schrok me rot. ‘Ik moet naar huis,’ zei ik, ‘voor de zoete aardappelen.’ Mijn vader had de aardappelen op zolder, onder zo’n jute zak. Ze werden steeds zoeter, steeds viezer. Toen kwam Max met acht aardappelbonnen. Moet je je voorstellen. Als het dan nog niet aan is! Hij kwam uit een gezin met acht kinderen. Ze deden daar spelletjes en zongen de hele tijd. Nou, lieve hemel. Dat vond ik toch een feest.

Onze hele verlovingsuitzet is eraan gegaan. Het geborduurde tafelkleed voor een zak tarwe, het servies voor aardappelen. Zo ging dat in de oorlog. Toch was ik dolgelukkig. En toen de kinderen kwamen, drie jongens en een meisje... als de kinderen klein zijn, dat is je allermooiste tijd. We hadden het bedrijf van mijn schoonvader voortgezet en woonden er. Het was altijd druk en gezellig. Rond 1965 moesten we weg uit Leiderdorp. Max vond een plek in Amstelveen, aan de Legmeerdijk. ‘Nee hè pap,’ zeiden de kinderen. ‘Niet hier toch?’ Er waren geen winkels, geen scholen, niets. Alleen de SRV-man. Maar het werd prachtig. Er kwam een groot bloemenbedrijf, met kweekkassen en een ketelhuis. Ik werkte er ook, in de rozen. ’s Avonds stond je de stekels uit je vingers te peuteren, het hinderde allemaal niets.

Mijn leven is niet makkelijk geweest, maar wel mooi, en vol liefde. Na ons pensioen hebben we nog jaren genoten van onze boot. Max werd thuis verpleegd. Hij was tot het einde toe tevreden, stak de hele tijd zijn duim omhoog. Daar probeer ik aan te denken, als ik het moeilijk heb. Het is fijn in Groenelaan, iedereen is lief, maar ik mis mijn huis.

Kijk hier voor meer informatie over Groenelaan