Ga direct naar de hoofdnavigatie Ga direct naar de content
Kijk hier voor de laatste informatie over het coronavirus.

Een zoete beloning

Wawan Kawulusan, werkt bij dagbesteding De Klinker in Amsterdam
Wawan Kawulusan had het met zijn Chinese achtergrond in Indonesië al niet makkelijk. In Nederland bleek hij ook nog eens op jongens te vallen. Hij deed er zo’n tien jaar over om uit de kast te komen. Maar nu… ‘Ik ben heel blij met mijn leven.’

Hoe moeilijker de weg, hoe zoeter de beloning? Voor Wawan Kawulusan (51) lijkt het er wel op. Hij is al 15 jaar gelukkig met zijn vriend. Zijn werk op de dagbesteding van De Klinker is een en al kleur en acceptatie. En de flaporen waarmee hij werd gepest? Die draagt hij met trots. Niet alleen omdat ze geluk brengen in de Chinese cultuur. ‘Nu ik veel zelfverzekerder ben geworden, zit ik er sowieso niet meer mee.’ 

Wawan KawulusanIdeaal land

Wawan groeide op in Jakarta. In een fijn huis rond een binnenplaats vol honden, kippen, ganzen en tropische planten. Altijd lekker warm. Beide ouders werkten, moeder als vroedvrouw in een kraamkliniek, vader als boekhouder. ‘Een vredig bestaan, zou je zeggen. Maar het was niet makkelijk. Hoewel er al vele generaties immigranten uit China woonden, werden Chinezen in die tijd gediscrimineerd.’

Wawan was 12 toen het gezin het voor gezien hield. Ze emigreerden naar Hilversum, waar al familie woonde. Beter voor de kinderen ook, dachten zijn ouders, want hier konden ze studeren. Wat Wawan zich ervan herinnert? ‘Vooral dat Nederland als ideaal land werd gezien. Ik wilde hier koste wat kost mijn weg gaan vinden. Dat kinderen weleens ‘poepchinees’ riepen? Leuk was het niet, maar ik nam het voor lief.’ 

Wawan KawulusanUit de kast

Er was iets dat veel moeilijker bleek. Wawan ontdekte dat hij op jongens viel. Een taboe. Zijn ouders, dacht hij, zouden het verschrikkelijk vinden. Ze zouden bang zijn. Bang voor het oordeel van de familie, van de buren. En dat hij geen kinderen zou krijgen… 

Zijn coming out werd groter dan hijzelf. Hij liep vast in zijn studie, liep tegen de muren, wist zich geen raad. Uiteindelijk was het zijn zus, die hem als het ware de kast uitduwde. En toen? ‘Tot mijn verbazing ging het leven gewoon door. ‘“O, je bent homo,” zei mijn moeder, alsof ze blij was eindelijk te weten wat me zo ongelukkig maakte.’
‘Later heeft zij zich weleens laten gaan,’ herinnert Wawan zich. ‘Dan riep ze ineens: “Waarom trouw je toch niet gewoon!” Dat zag ik dan maar als onderdeel van haar acceptatieproces.

En mijn vader? Die pakte het heel anders aan. Hij zei niets, en heeft er nooit met een woord over gesproken. Maar toen ik een keer uitging, niet lang na mijn coming out, bracht hij me naar de deur en zei: “Vergeet je jas niet.” De zorg en liefde die daaruit sprak… die zal ik nooit vergeten. Vanaf toen wist ik dat het goed zou komen.’